1. Historische schets

Volgens de statuten wordt de Hoge Gildenraad der Kempen geleid door de Wet die moet zorgen voor de uitvoering van de beslissingen van de Raad der Hoofdmannen, de administratie, het opstellen van beslissingen, de financies en de betrekkingen met de andere verenigingen.

Aanvankelijk was de Wet niet uitgebreid: opperhoofdman, drie dekens, een opperkoning, de houder van het Landjuweel en de griffier.

Door de aangroei van het aantal leden en de ingewikkeldere administratie evolueerde de Wet naar 16 leden.

De Wet bestond uit een opperhoofdman, de eerste of dienende deken, de tweede en de derde deken, drie opperkoningen en drie opperdekens (voetboogkruisboog, handboog en buks), houder Landjuweel en griffier.

Sinds 1955 mocht de kleine kruisboog een eigen opperkoning schieten. Toen de Sint-Jorisgilden uit het Land van Hoogstraten aansloten bij de Hoge Gildenraad werd besloten dat zij een eigen opperkoning mochten schieten. Dit gebeurde voor de eerste maal in 1961. Een opperdeken werd in 1978 toegekend. Nog in datzelfde jaar werd een penningmeester aangesteld om de taak van de dienende deken voor zijn rekening te nemen.

Het werk van de Wet wordt sinds 1999 verlicht door het oprichten van werkgroepen met een eigen specifieke taak. Toen het werk van de griffier te uitgebreid werd, kreeg hij in het jaar 2000 drie assistenten die elk één bepaald deel van de administratie moesten afwerken.

Het werk van de Wet wordt sinds 1999 verlicht door het oprichten van werkgroepen met een eigen specifieke taak.

Toen het werk van de griffier te uitgebreid werd, kreeg hij in het jaar 2000 drie assistenten die elk één bepaald deel van de administratie moesten afwerken.

De Wet in 1960
Onderste rij: J. Herrijgers, R. Pleysier, J. Ernalsteen, A. De Vos, A. Wuyts, J. Van Roey, A. Van Boxel
Bovenste rij: K. Meyers, J. Goossens, J. Marijnissen, R. Janssens