3. Opperkoningen

De Opperkoningen worden aangesteld nadat zij tijdens het Landjuweel bij het schieten onder gildekoningen de vogel van de wip het meest hebben afgeschoten. Zij ontvangen de sluier en de koningsstaf van de HGK als teken van hun waardigheid. Zij zullen deze na het beëindigen van hun mandaat aan de Wet terugbezorgen. De Opperkoningen volgen de vergaderingen van de Wet als zij daartoe uitgenodigd worden door het Dagelijks Bestuur.
 
De Opperkoningen regelen de schietwedstrijden op de Landjuwelen, de Gildefeesten en de Schietspelen van de HGK. Zij waken erover dat de gildekoningsschietingen op de staande wip en op de voorgeschreven tijdstippen plaatsvinden.
 
In vroegere tijden werd er op een landjuweel één opperkoning geschoten. Naar dit voorbeeld werd ook in de Landjuwelen van de Kempische gilden in de 20ste eeuw een wedstrijd onder de koningen van de gilden uitgeschreven.

De eerste vier landjuwelen bekroonden slechts één opperkoning, maar met het 5de Landjuweel (1955) werd er door vier wapens geschoten: voetboog, kleine kruisboog, handboog en buks. Na het Landjuweel van 1958 werd er in 1959 besloten een opperkoning te laten schieten door de pas aangesloten Sint-Jansbogen die in 1961 voor het eerst onder elkaar voor die opperste eer kampten.

Opperkoningen werden in de eerste jaren van de Hoge Gildenraad der Kempen gekroond met een rozenhoed die later vervangen werd door een tinnen schotel. Zij maakten gedurende hun ambtstermijn deel uit van de Wet waar zij samen met de opperdekens waakten over de belangen van alle gilden en speciaal over die van hun eigen wapen.