2. Bevoegdheden

De Wet kan voor de vacante betrekkingen van Opperhoofdman/Opperhoofdvrouw, Hoofdgriffier, Assistent-griffiers en Penningmeester één kandidaat voordragen, aan de voorwaarden zoals verder beschreven.

Alle geschillen in gilden moeten een oplossing krijgen in deze gilden. De Wet kan hier adviserend optreden en eventueel bemiddelen tussen de onderlinge partijen. Bij geschillen tussen de gilden kan de Wet verzoenend optreden in een geest van rechtvaardigheid na de partijen te hebben gehoord. Daarna zal de Wet advies uitbrengen aan de Raad der Hoofdmannen en -vrouwen.

De Wet kan een gemotiveerd voorstel doen voor de aanvaarding, de schorsing of uitsluiting van een gilde. De beslissing hierover ligt bij de Raad der Hoofdmannen en -vrouwen. Dezelfde procedure wordt gevolgd bij het terug aannemen van een geschorste gilde. (zie ook Artikel 52 en 53).

De Wet duidt ieder jaar tijdens de voorjaarszitting de gilden aan die het daaropvolgende jaar een Schietspel of een Gildefeest mogen inrichten. Dit zal gebeuren na inzage van alle schriftelijke aanvragen. Deze aanvragen dienen te gebeuren vóór de najaarszitting van de Raad der Hoofdmannen en -vrouwen in het jaar vóór de toewijzing in de voorjaarszitting.

Om geldig te kunnen beslissen moet de helft plus één van de Wethouders aanwezig zijn. De besluiten worden genomen bij meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen. Ieder lid van de Wet beschikt over één stem. In geval van staking van stemmen is de stem van de Opperhoofdman/Opperhoofdvrouw of zijn/haar plaatsvervanger doorslaggevend.

Het stemmen in de Wet over personen gebeurt schriftelijk en in een geheime stemming.

De leden van de Wet zijn aanwezig op al de manifestaties van de HGK.