Geschiedenis‎ > ‎

a. Van de oorsprong tot 1800

Onze gewesten, gelegen aan de Noordzee, ontwikkelden zich na de invallen van de Noormannen tot een belangrijk, economisch, cultureel, politiek en religieus centrum. Ze werden een pion in het politiek bedrijf van het Europa van toen.

Door het Verdrag van Verdun (843) werd het rijk van Karel de Grote in drie stukken verdeeld met verticale grenzen. Uiteindelijk kwam een deel van onze streken onder het gezag van de Franse koning, terwijl het andere gebied onder de heerschappij van de keizer van het Heilig Roomse Rijk terecht kwam. Beide vorsten dienden noodgedwongen rekening te houden met leenheren die zich niet altijd even onderdanig toonden en zelf te kampen hadden met problemen van hun leenmannen.

In de agrarische maatschappij van toen leerde men handel drijven en ontstonden er steden op gunstig gelegen plaatsen. Theoretisch waren de inwoners van deze nieuwe vestigingen vazallen van de heer op wiens grondgebied ze woonden. Als collectieve vazal moesten ze de heer bijstaan met raad en vooral met daad.

De stedelingen waren verplicht hun heer te helpen met geld en vooral met wapens in zijn strijd tegen zijn vijanden: zij moesten voldoende manschappen leveren voor de talrijke oorlogen die hij voerde.

Van bij het begin hadden de inwoners der stedelijke nederzettingen de noodzakelijkheid gevoeld om hun have en goed te beschermen tegen rovers en bandieten. De sterkste onder hen vormden een groep vastberaden mannen die met hun eigen wapens paraat waren de verdediging van stad en land op zich te nemen. In vele steden werden zij omgevormd tot schuttersgilden die door het plaatselijk bestuur werden ondersteund. Zij zorgden niet alleen voor de veiligheid van de inwoners, maar moesten de heer ook vergezellen op zijn tochten.

De steden groeiden uit tot machtige centra die onder bepaalde voorwaarden stadsrechten van de plaatselijke heer konden afdwingen. Toen de vorsten een einde wilden stellen aan de versnippering streefden zij ernaar, om met alle middelen, hun macht te vergroten door centralisatie in te voeren. De macht der steden moest beknot worden en het aantal gildenbroeders werd verminderd. Dit opzet wensten ze te verwezenlijken door de activiteiten van de gilden meer en meer te richten naar recreatie: wedstrijden, schietspelen en in Brabant landjuwelen en haagspelen. Het voorbeeld van de steden werkte aanstekelijk op de vrijheden waar de heren het ontstaan van de schuttersgilden in de hand werkten.

En de dorpen? Deze waren meestal afhankelijk van de plaatselijke heer die op zijn kasteel woonde. Ook deze heer voelde de behoefte om zichzelf en zijn onderdanen te beschermen in een meestal erg uitgestrekt gebied. Hiervoor waren plaatselijke schuttersgilden uiterst geschikt.

Voor zover de overgebleven documenten ons inlichten ontstonden de dorpsgilden zeker in het begin van de 15de eeuw en waarschijnlijk zelfs vroeger. Dit gebeurde in tegenstelling tot steden en vrijheden waar sporen van de schuttersgilden reeds opduiken in de 13de eeuw. De datum van de oprichting van de meeste gilden kan zelden juist opgegeven worden. De oudst bekende datum van de gilden kan hiervoor een aanwijzing zijn, maar dan dient ook opgemerkt te worden dat de gilden reeds werkzaam waren voordat zij een caert (reglement) ontvingen van de plaatselijke heer.

De oudste gilden in de steden werden gevormd door mensen die kapitaalkrachtig genoeg waren om een wapen, de voetboog, aan te kopen. Trouwens, zij domineerden de inwoners, maar dit bleef niet duren. Het aantal handenarbeiders groeide stilaan: zij groepeerden zich in ambachten die ook medezeggenschap in de stad verlangden. ‘De democratische revolutie’. Naar het voorbeeld der handelaars richten zij ook schuttersgilden op die een goedkoper wapen, de handboog, hanteerden. Ook zij werden door de overheid financieel gesteund.

Sinds de tweede helft van de 15de eeuw deden de vuurwapens hun intrede; een meer efficiënt wapen dan voetboog of handboog, maar in het begin even gevaarlijk voor de vijand als voor de bedienaars ervan. De kolveniers of buksgilden waren geboren: zij waren met weinigen in de 15de en de 16de eeuw maar werden talrijk in de volgende periode, zelfs op het platteland.

De militaire functie van de schuttersgilden werd stilaan afgezwakt. De overheid deed nog steeds op hen beroep voor het handhaven van de orde en oriënteerde hen onder invloed van de centrale overheid meer naar de ontspanning. De vorsten twijfelden aan de betrouwbaarheid en efficiëntie van de gilden: zij deden beroep op huurlingen die zij nochtans niet altijd konden betalen met alle gevolgen van dien.

De gilden van steden, vrijheden en dorpen verloren hun oorspronkelijke functie, maar ze werden niet afgeschaft. Zij beoefenden het schieten met de boog en buks als ontspanning. Er waren zelfs religieuze broederschappen die hen daarin volgden.

De schutters oefenden geregeld en organiseerden wedstrijden onder elkaar. Oorspronkelijk werd er jaarlijks een koningsschieting gehouden, het hoogtepunt van het schutterlijk jaar. De koning was het voornaamste personage van de gilde en was herkenbaar aan de breuk of juweel dat hij met een zilveren schild moest vermeerderen. Later werd er om de drie, vier of zes jaar naar de koningsvogel geschoten.

Naast de activiteiten in eigen midden verlieten de schutters ook hun woonplaats om met bevriende gilden te verbroederen en te kampen. Voor de gilden van de verschillende gewesten werden er grote wedstrijden in het leven geroepen die weken en weken konden duren. De overheid steunde hun schutters want zij moesten kampen om de eer van stad en vrijheid. Een schietspel werd ook aangewend als public relations.

Brabant kende één soort wedstrijd waaraan alleen gilden uit het Hertogdom mochten deelnemen: het landjuweel. Dergelijke wedstrijden waren reeds bekend in het begin van de 15de eeuw. Ze werden meestal gevolgd door een haagspel dat gilden van buiten Brabant toeliet. Ook de dorpsgilden richtten onder elkaar landjuwelen in, doch deze konden door gebrek aan voldoende kapitaal, minder groots en plechtig uitgeschreven worden. Het blijft nochtans onbetwistbaar dat de rederijkers de schuttersgilden voor hun landjuwelen hebben nagevolgd.

Het grootse tijdvak van het schutterswezen werd brutaal afgebroken door de beeldenstorm (1566) en de daarop volgende 80-jarige oorlog (1568 - 1648). Talrijke gilden gingen in deze periode ten onder en sommigen veranderden zelfs van wapen. De tijd van de wekenlange feesten behoorde tot het verleden. Sommige gilden overleefden de moeilijke tijden niet, want de mentaliteit was veranderd. In de gilden zelf werd nog geschoten, er werden nog wel wedstrijden gehouden, maar van minder omvang. Het waren herbergiers, soms gilden, die wedstrijden uitschreven die een heel seizoen duurden: het waren staande prijzen. Het was vanzelfsprekend dat bevriende gilden met de processie en met de kermis op schietingen werden uitgenodigd. De gilden bleven in die periode rustig verder bestaan en vervulden traditievol hun sociale en religieuze verplichtingen.

Het herstel van het gildenleven geschiedde traag maar zeker: het werd echter geremd en in gevaar gebracht door het uitbreken van de Franse Omwenteling (1789). De revolutionairen braken de oude maatschappij volledig af! Al het oude moest verdwijnen en vervangen worden door nieuwe ideeën en instellingen. Zoals alle andere verenigingen werden de gilden afgeschaft en moesten al hun documenten en bezittingen bij de Franse overheid inleveren. Maar... dan kende deze de gilden niet! Zij gingen niet ten onder want zij waren te diep in het volksleven geworteld. Sommigen gilden verdwenen, anderen bleven in stilte verder werken. Nog anderen vormden zich om tot sociëteiten of maatschappijen.