Geschiedenis‎ > ‎

c. De Kempische Congressen 1922-1952

Kanunnik Janssen

Het einde van de eerste wereldoorlog betekende het begin van de ontluiking van de Kempen. Een nieuwe wereld met industriële ontwikkeling en verbeterde verkeersmogelijkheden opende nieuwe horizonten. Talrijke Kempenaren betreurden de achteruitstelling van hun geboortestreek. Hoe was dit mogelijk geweest? Waren er dan geen lichtpunten zichtbaar? Onder impuls van de Oudheidkundige Kringen werd aangedrongen om het verleden beter te leren kennen. Dit kon verwezenlijkt worden door het inrichten van congressen en tentoonstellingen. Onder impuls van kanunnik Floris Prims als ere-voorzitter, maar vooral met kanunnik J. Jansen als voorzitter en Jozef Ernalsteen als secretaris van de Kempische Congressen kreeg dit initiatief een vaste vorm. Tijdens het eerste congres, gehouden te Turnhout in 1922, werd de tentoonstelling gewijd aan de schuttersgilden. Volgende jaren kwamen Brecht (1925), Geel (1928) en Essen (1931) aan de beurt. Het vierde congres, gehouden te Essen, bewees de noodzaak van de terugblik op het verleden. In navolging van het bloeitijdvak der gilden werd het eerste Landjuweel van de Kempen georganiseerd volgens de oude reglementen. Het werd het begin van een traditie. Het tweede en derde Landjuweel werd respectievelijk georganiseerd te Westerlo (1935) en te Hoogstraten (1937). Na het einde van de tweede wereldoorlog werd nog éénmaal een congres gehouden met het vierde Landjuweel (1952). De Hoge Gildenraad der Kempen, opgericht op 3 februari 1952, zou ervoor zorgen dat de traditie in ere werd gehouden.

De Kempische Congressen lagen aan de basis van de verdere heropleving van de schuttersgilden. Dit wekte geen verwondering met twee figuren die de gilden in hun hart droegen: kanunnik Jansen (†1949) en J. Ernalsteen, die later tot griffier en zelfs tot Opperhoofdman van de H.G.K. werd verkozen. Voor hen beiden waren de schuttersgilden de zuiverste uiting van de Kempische volksziel.