Geschiedenis‎ > ‎

d. De oprichting van de HGK

De tweede wereldoorlog (1939-1945) belette de verdere doorbraak van het gildewezen. De droeve oorlogsjaren waren een hinderpaal geweest voor vele gilden om hun openbare activiteiten verder te ontplooien. Het gildenleven stond op een laag pitje. Het was maar uitgesteld. Het einde van de oorlog gaf het sein tot een ware explosie: alle krachten die noodgedwongen ingetoomd werden konden nu de teugels loslaten. Helaas het werd van het goede teveel. Vele gilden wilden terug in de openbaarheid komen en richtten een feest in. Alles verliep zonder enige orde. Er bestond geen onderling overleg. Bovendien slopen allerlei nieuwigheden in. Zou het vroegere echte gildenleven voorgoed verdwijnen?

Gerd Meeusen, pionier

Gelukkig werd deze toestand tijdig ingezien. Een aantal hoofdmannen en deskundigen groepeerden zich rond de figuur van Gerard Meeusen, hoofdman van de Sint-Sebastiaansgilde van Essen. Hij werd de spil van de zoektocht naar redding van het gildenwezen. Hij vond steun bij L. Van Rijswijck, hoofdman Sint-Sebastiaan Westmalle, J. Vorsselmans, hoofdman Sint-Joris Kalmthout, R. Van Ostayen, hoofdman Sint-Joris Brecht, A. De Vos, bestendig afgevaardigde (Vosselaar), dr. J. Van Gorp (Kasterlee), J. Ernalsteen (Antwerpen), E. Snyders, inspecteur (Retie), J. Tax, R. Peeters, stadsarchivaris Turnhout en opvolger van kanunnik J. Jansens.

Gerard Meeusen voerde een drukke briefwisseling en hield vele gesprekken. Na jaren zwoegen had zijn plan vaste vorm aangenomen zoals blijkt uit de brief van 29 mei 1949 die hij tot alle gilden richtte en waarin hij hen aanmaande trouw te blijven aan hun eigen aard.

Tijdens het gildenfeest te Westmalle op 19 augustus 1951 beloofde hij in oktober een algemene vergadering van de gilden samen te roepen.

Zijn plan voorzag een overkoepelend lichaam naar het voorbeeld van de Leuvense hoofdgilde. Ere-inspecteur E. Sneyers had voorgesteld deze vergadering in oktober te houden, maar deze datum kon niet weerhouden worden. De onderhandelingen werden voorgezet.

Eindelijk kon Gerard Meeusen, door brief van 26 januari 1952, alle hoofdmannen oproepen om op 3 februari 1952 samen te komen in Den Tram, lokaal van de plaatselijke Sint-Sebastiaansgilde te Westmalle.

Zijn oproep kreeg gehoor. Niet minder dan 25 hoofdmannen of hun gemandateerde waren samen met enkele genodigden aanwezig. Het waren de Sint-Jorisgilden van Ekeren, Kalmthout, Oostmalle en Rijkevorsel, de Sint-Sebastiaansgilden van Essen, Herentals, Herselt (Hoge Weg), Kalmthout, Lichtaart, Meerle, Tielen, Vosselaar, Wechelderzande, Westerlo en Westmalle, de Sint-Barbaragilden uit Mol (Hooghuis) en Oostham (Limburg), de Sint-Norbertusgilde uit Tongerlo, Sint-Huybrechtsgilde Sint-Antonius-Brecht, Onze-Lieve-Vrouwegilde Veerle en de Sint-Andriesgilde uit Wildert. Als genodigden waren aanwezig:

A. De Vos, bestendig afgevaardigde, J. Ernalsteen, archivaris der provincie en R. Peeters, stadsarchivaris te Turnhout. Enkele personaliteiten hadden zich verontschuldigd, te weten: ere-inspecteur E. Sneyers, ereschoolhoofd A.L.Grietens (1887-1952) uit Meerhout en Janssens, hoofdman van Sint-Pieters-Lille.

De initiatiefnemer G. Meeusen fungeerde als waarnemend voorzitter tijdens deze vergadering. Hij verwelkomde alle aanwezigen en speciaal burgemeester M. van der Straeten-Waillet, burgemeester van Westmalle. Deze dankte alle personen die niettegenstaande het gure weer gehoor hadden gegeven aan de uitnodiging. Dit was volgens hem een bewijs van de noodzakelijkheid van de bijeenkomst: het moest een mijlpaal worden in de geschiedenis van het gildenleven. De burgemeester sprak de hoop uit dat de gilden zoveel mogelijk de oorspronkelijke banen zouden blijven bewandelen en vlijtig zouden verder werken. Ook wenste hij dat de plaatselijke overheden de oude gilden zouden ondersteunen.

De voorzitter ontvouwde daarop de plannen die hij had ontworpen om het gildenwezen te redden. Hij dankte speciaal allen die hem daarin hadden geholpen: Jan Van Gorp, ere-inspecteur E. Sneyers en hoofdman L. Van Rijswijck. Het gildenleven eiste orde, vriendschap en samenwerking, maar zeker geen geldgewin. Het aantal gildenfeesten diende beperkt te worden met voldoende prijzen en tegemoetkomingen. Een optocht moest gekenmerkt worden door degelijkheid en houding.

Om dit te verwezenlijken was een overkoepelend orgaan noodzakelijk, een Hoge Gildenraad, waarin alle gilden verenigd waren en medezeggenschap hadden. Deze raad had als opdracht te waken over het bewaren van de oude gildengeest. De feesten mochten niet meer willekeurig gehouden worden en alleen bestemd zijn voor de aangesloten verenigingen.

Volgens G. Meeusen moesten deze doelstellingen gerealiseerd worden door volgende vier punten:

  1. Stichting van een Hoge Gildenraad der Kempen met bestendige zetel te Westmalle.
  2. De aanstelling van een voorzitter en hij stelde voor de functie aan te bieden aan vrederechter R. Van Ostayen (Brecht).
  3. De benoeming van een bestendige jury voor de wedstrijden.
  4. Het opmaken van een algemeen statuut.

Na de beantwoording van enkele vragen werden deze punten door de aanwezigen goedgekeurd. Daarna werd nog benadrukt dat de gilden verenigingen van schutters waren en niet mochten ontaarden in dansgilden.

Bestendig afgevaardigde A. De Vos sprak het slotwoord uit. Op de eerstkomende vergadering, 9 maart, zouden de statuten besproken worden en overgegaan worden tot het aanstellen van een bestuur nl. voorzitter, secretaris, en drie dekens (kleine kruisboog, voetboog, handboog en buks).

De kogel was door de kerk. Het initiatief om alle oude gilden in één organisatie onder te brengen vond overal weerklank. Op de aangekondigde vergadering van 9 maart verschenen niet alleen de gilden van de stichtingsvergadering, maar nog een aantal anderen; de Sint-Jorisgilden van Brecht en Meerle, de Sint-Sebastiaansgilden van Arendonk, Gierle, Herselt (de jonge), Kasterlee, Kapellen, Schoonbroek, Mol, Oud-Turnhout, Retie, Tongerlo, de Sint-Antoniusgilden van Achter-Olen, Kasterlee, Lichtaart, Oosthoven en Retie alsook Sint-Barbara (Mol Cuypers) en Sint-Martinus (Westmalle). Wechelderzande was niet aanwezig evenmin als Oostham (Limburg). Er waren ook verontschuldigingen binnengekomen: van inspecteur Em.Van Hemeldonck en ere-inspecteur Sneyers.

Aan de bestuurstafel hadden plaatsgenomen: vrederechter R. Van Ostayen, de hoofdman van Westmalle, L.Van Rijswijck en waarnemend secretaris G. Meeusen.

Op voorstel van G. Meeusen werd hoofdman R.Van Ostayen bevestigd als Opperhoofdman door de 36 aanwezige gilden. Verder werden gekozen: A. De Vos als dienende opperdeken met 28 stemmen (tot 1958), L. Van Rijswijck als tweede opperdeken (tot 1958) en J. Van Gorp tot derde opperdeken (tot 1961). Algemeen secretaris werd J. Ernalsteen.

Als juryleden voor de feesten werden aangesteld: J. Ernalsteen, R. Peeters, E. Sneyers en juffrouw L. Van De Cruys (Geel).

Het statuut, opgesteld door dr. J. Van Gorp, werd door de vergadering goedgekeurd.

De start was definitief gegeven, maar er kleefde toch een vlek op deze tweede bijeenkomst. De man die zich jarenlang had uitgesloofd om de Hoge Gildenraad tot stand te brengen werd tegen zijn verwachting in niet als opperdeken verkozen. Gerard kreeg slechts 12 stemmen! Dit had de initiatiefnemer en redder van het gildenwezen niet verdiend. Ontmoedigd keerde hij huiswaarts en was voor het gildenwezen verloren.

De Wet van de Hoge Gildenraad der Kempen in 1953
Staande: J. Ernalsteen, L. Van Rijswijck en J. Van Gorp
Zittend: A. De Vos, R. Van Ostayen en A. Van Laar