Geschiedenis‎ > ‎

j. Gildekledij

De kledij van een gildebroeder

De gilden uit de Kempen hebben meestal dezelfde kledij: blauwe kiel, faas, en zakdoek (rood met witte bollekens of blauw met witte bollekens). De gildenzusters dragen een zwarte rok en blouse, sjaal, donkere schoenen, een spaanhoed, al verdwijnt die stilaan, en meestal een kanten muts die kan verschillen per gilde en in feite bepaald wordt door de plaatselijke mutsenmaaksters. Het is geen eenvoudige taak deze mutsen te wassen en in de gewenste plooi te brengen. Vermits het aantal kantwerksters stilaan verdwijnt, wordt nu gegrepen naar machinale kant.

Deze kledij is nochtans niet de oorspronkelijke. In de middeleeuwen droegen de schutters tabbaarden en bij sommige gelegenheden een harnas. Toen de schutters hun militaire opdracht kwijtraakten, werd de zondagskledij gedragen ofwel een zwarte slipjas en broek met hoge hoed. Sommige gilden voerden de “boerenkledij” in, een klederdracht die verschijnt in de 19de eeuw en vooral na 1930 opgang maakte in de Kempen.

Deze kledij werd voorgeschreven door de statuten, maar hier en daar waren er gilden die wat meer kleur en afwisseling wensten te brengen. Het Reglement van Innerlijke Orde komt aan deze zucht naar vernieuwing tegemoet (art. 122-2001): een rode boezeroen, een lichte blouse op een gebloemde of veelkleurige rok brengen meer kleur in een optocht. De gildenkledij moet historisch verantwoord zijn. Zij is verplicht en moet verzorgd zijn. De jury houdt hiermee rekening in haar beoordeling tijdens het Schoon Inkomen.

Wat er ook van zij, kiel, faas en zakdoek hebben tot op heden het beeld van de Kempische gildenbroeders gemaakt.